Ingedeeld onder: Uncategorized | Tags: noord-korea, kim jong-il, north korea, kim il-sung, open doors, gebedsactie, korea, kameraad zhang, jan vermeer, hongersnood
Bijna 9 miljoen Noord-Koreanen krijgen te weinig voedsel en zijn op voedselhulp aangewezen, zegt de WFP (de VN-voedselorganisatie). De afgelopen jaren zijn naar schatting tussen de twee en drie miljoen Noord-Koreanen door de honger omgekomen.
Lees het bericht van DailyNK:
| U.N. Report: 40% of North Koreans in Desperate Need of Food Assistance | |||
|
|||
|
The World Food Program and Food and Agriculture Organization released a joint report Monday saying that approximately 40% of the North Korean population is in desperate need of food assistance.
The report estimated that about 8.7 million North Koreans, mostly children, pregnant or nursing women, and the elderly will be affected in the coming months due to an expected cereal deficit of 836,000 tons. It was reported that this year’s food shortage in North Korea is said to have been caused by a lack of fertilizer, which decreased by 40 percent since 2007 despite good weather and hard work by North Korean farmers. North Korea has been relying on international assistance to feed its people for the last decade and halted South Korean fertilizer aid this year seems to have contributed to the current food shortage in North Korea. According to the report, the severity of the food scarcity was not noticed until spring and severe fertilizer shortage was an eventual realization. But the report also said that this year’s food shortage is not only caused by the shortage of fertilizer but also by the low soil fertility and long term underinvestment in farm machinery which contribute in the long term to low the productivity of the farming sector. North Korean farming industry is based on an unsustainable agricultural production model and farming techniques. In the beginning of 2008, North Koreans were receiving average 350 grams of food, which was then reduced to 250 grams in May and further to 150 grams between June and September, adjusted to 300 grams in October (2007 rations were 500 grams average until the flood in August). Some families in North Korea own small kitchen gardens, in which they grow crops such as cabbage, beans, garlic and occasionally potatoes and maize. These kitchen gardens play a major role in sustaining the livelihood of North Koreans before the harvest season and during food shortages. The WFP uses four beneficiary categories for food assistance. The first beneficiary group includes women (pregnant and lactating), the elderly, children and patients, the second group includes public distribution system (PDS) dependents that are unable to meet their food requirements, and the third group includes the unemployed or under-employed workers, while the last group includes teachers, nurses and doctors. It was reported that some collect wild foods to supplement their food requirements such as edible grasses, bracken, seaweeds, bellflower roots and more. During food shortages, people are reported to cope by living off these kitchen gardens or hillside farming, while eating less often and feeding children first. Therefore, the ones that do not own a kitchen garden and depend on the government rations are the most vulnerable during any food shortage. Henri Josserand, Chief of the FAO Global Information and Early Warning System said that the prospects for next year of North Korea are bleak. “With a substantial deficit of basic foods that will only partly be covered by commercial imports and anticipated food aid” he added. The WFP is planning to provide medical and food assistance through Food for Community Development programs according to the four beneficiary categories. However, the South Korean government announced today during a daily briefing that the current North Korean situation is not extremely urgent since the harvest rate is higher than last year’s, and that South Korean officials are reviewing the report released by the FAO/WFP. The joint report released by the WFP and FAO was conducted once in June 2008 and from 9th to 24th of October 2008, the first time since 2004. During the June survey, Rapid Food Security Assessment covered all ten provinces while the October survey covered six provinces. |
|||
Ingedeeld onder: Uncategorized | Tags: boek, gebedsactie, jan, jan vermeer, kameraad zhang, kim il-sung, kim jong-il, kim jung-il, korea, mensenrechten, noord-korea, north korea, open doors, strafkamp, vermeer, vluchteling, vluchtelingen, zhang
Ik ben nu bezig aan hoofdstuk 8. Het boek beslaat inmiddels 158 pagina’s (in de eerste versie).
Ingedeeld onder: Uncategorized
We zitten in een buitenwijk van Seoul. De zon verwarmt de groene heuvels. De kantoren in de verte verstoren dit idyllische plaatje niet. Eigenlijk zou Kim Tae Jin in dit decor niet mogen praten over zijn leven. Het contrast tussen de beelden op zijn netvlies en de omgeving is te groot. Toch spreekt deze bescheiden Noord-Koreaan. Op een kalme toon verhaalt hij over zijn jeugd, de twijfels, zijn eerste vlucht naar China, zijn arrestatie, zijn vier jaar in het concentratiekamp Yodok, zijn vrijlating, gedwongen scheiding van zijn vrouw, de hongersnood, de tweede ontsnapping, zijn ontmoeting met Jezus, de tocht naar Zuid-Korea en zijn leven nu.
“Het moeilijkste”, zegt hij zachtjes, “vind ik eigen beslissingen nemen. Vraag me tien keer een stoel te verplaatsen in een kamer en ik doe het zonder me af te vragen wat het nut is. Maar als ik zelf moet kiezen welk college ik wil volgen, dan weet ik het niet.”
Verrassend is dat niet. Wie dertig jaar of langer niet zelf heeft mogen nadenken, kán niet zelf nadenken. Wie gewend is dat beslissingen voor hem of haar worden genomen, kán zelf geen beslissingen nemen.
Kim werd geboren in 1956 in China. Zijn vader scheidde van zijn moeder toen Kim nog jong was. Hij heeft daarom nog een paar halfbroers en een halfzus. In 1961 verhuisde hij met zijn moeder naar het noorden van Noord-Korea en in ’64 naar Wonsan, een zuidelijke havenplaats. “Ik heb me in mijn jeugd niet echt ongelukkig gevoeld”, zegt Kim. “We werden communistisch opgevoed. Generaal Kim Il-Sung had het volk gered van de ‘rijken’. Zuid-Korea was onder bezetting van de Amerikanen. Wij zouden ooit onze volksgenoten bevrijden van het juk van deze imperialisten. Een belangrijk onderdeel van onze lessen op school was het uit het hoofd leren van toespraken en geschriften van Kim Il-Sung. Het zou me tien jaar kosten om precies uit te leggen wat ik allemaal heb geleerd. Wat ik wel kan noemen, is hoe wij het systeem moesten zien. De Partij is de moeder, Kim Il-Sung de vader en Kim Jong-Il de zoon. Ik kan niet meer precies reciteren wat ik destijds heb geleerd. God heeft dit uit mijn hoofd weggehaald.”
Keuzevrijheid, zoals gezegd, is een onbekend begrip in Noord-Korea. “Die is er absoluut niet. De Partij zegt wat we moeten doen. We worden als groep behandeld, niet als individu. Wat je carrièrekansen trouwens erg vergrootte, was als je Kim Il-Sung had ontmoet. Dan kreeg je aanzien. Veel mensen die promotie wilden maken, probeerden hun uiterste best te doen hem te ontmoetten. Waar ik erg van baalde, was dat de Partij ook bepaalde wat voor baan ik kreeg. Na de middelbare school moest ik in een fabriek werken in de productie. Een erg simpel baantje. Toch geloofde ik nog steeds dat Noord-Korea het ware paradijs op aarde was.”
Maar langzamerhand kwamen er twijfels. “Ik zag een keer in een boek een foto van een Zuid-Koreaanse boer, met een jutenzak op zijn rug. Daaronder stond in het bijschrift: ‘Deze arme boer wordt door de Zuid-Koreaanse bourgeoisie uitgebuit.’ Maar ik keek naar zijn kleren en zag dat die veel mooier waren dan de onze. Bovendien werkten onze boeren ook op zo’n manier op het land. En in de kranten zag ik foto’s van demonstraties in West-Duitsland en Zuid-Korea. De foto’s waren vaag gemaakt zodat ik niet heel goed kon onderscheiden wat er op de achtergrond aan gebouwen te zien was. In het bijschrift stond dat de mensen erg boos waren op de heersende klasse. Maar zij mochten tenminste demonstreren… In mijn land is dat ondenkbaar.”
In 1986 vluchtte Kim voor de eerste keer naar China. Eerst ging hij op zoek naar familie die nog woonde in China. Erg welkom was hij niet. “Mijn familie was bang. Ze namen een groot risico door een Noord-Koreaan te verbergen. Tegenwoordig zijn de straffen voor het verbergen van Noord-Koreaanse vluchtelingen nog veel strenger. Ik kreeg een baantje in een mijn. Geen fijn werk, maar wel een goede plek om me te verbergen voor de autoriteiten. In het begin was ik erg teleurgesteld in China. Ook hier was een communistische staat die met strakke hand regeerde. Ik moest voortdurend op mijn hoede zijn.”
Christendom
In China kwam hij voor het eerst in aanraking met het christendom. Via een Chinees-Koreaanse christen kreeg hij een bijbel. “De vrouw van het gezin waar ik verbleef, nodigde me ook uit naar de kerk te gaan, maar ik wilde niet. Ik probeerde wel in de Bijbel te lezen en begon in Genesis, maar ik begreep er niets van. Toch zag ik aan mijn gastgezin dat het christendom iets goeds was. Vooral de liefde die zij bezaten, maakte me jaloers. Ze waren zo anders dan ik gewend was.”
Na een maand of vier liep Kim tegen de lamp. “Ik liep gewoon op straat en kwam politieagenten tegen. Ik had zelfs een bijbel bij me. Ze zetten me gevangen. Pas in die gevangenis begreep ik hoe veel beter China eigenlijk was in vergelijking met mijn land. Zelfs het gevangeniseten was beter dan het normale voedsel in Noord-Korea.”
Kim werd zonder pardon teruggestuurd. “Ik was ontzettend bang voor wat er komen ging. Zou ik direct worden geëxecuteerd? Of naar een werkkamp worden gestuurd? Hoewel ik Jezus nog niet had aangenomen als mijn Verlosser bad ik wel af en toe. Ik bad dat ik zou worden vrijgelaten. Uiteindelijk heeft hij mijn gebed wel verhoord…”
Gevangenis
Acht maanden lang zat hij in de gevangenis. “Ik werd niet veel gemarteld. De situatie was al marteling genoeg”, zegt Kim, terwijl voor het eerst een glimlach doorbreekt op zijn gezicht. Maar dan begint hij de acht maanden die hij doorbracht in handen van de veiligheidsdienst te beschrijven. “Ze sloegen me met stokken en ik kreeg nauwelijks te eten. Ook mocht ik niet mijn behoefte te doen, omdat ik niet zo maar hun orders opvolgde. Ook moest ik een hele dag in dezelfde positie zitten, wat ongelooflijk pijn deed aan mijn benen. Verder mochten we ons niet wassen en onze tanden poetsen. De luizen liepen dag en nacht over ons heen. ’s Nachts moest ik volhouden ondanks vlooien, luizen en de ernstige koude. Een gescheurde deken bood nauwelijks bescherming.”
Sommigen anderen waren nog slechter af. “ De been van een gevangene werd geamputeerd nadat het door bevriezing was aangetast. Een gevangene die ‘kikker’ werd genoemd, moest eens een nacht doorbrengen bij de bewakers, terwijl hij naakt was. Het was die nacht -20. Zijn gekreun maakte de andere gevangenen en mij gek. De ‘kikker’ kon er niet meer tegen en pleegde zelfmoord door herhaaldelijk met zijn hoofd op de muur te beuken.”
In de gevangenis bekende Kim alles waarvan hij beschuldigd werd. “Ik kon maar het beste meewerken. Ze hadden bewijs genoeg. Ze hadden bij mijn moeder zelfs een brief gevonden die ik uit China had gestuurd. Daarin schreef ik nota bene dat ik China niet zo’n mooi land vond en dat het zeker niet veel beter was dan Noord-Korea… Toen ik in de gevangenis kwam, werd mijn vrouw gedwongen zich van mij te scheiden. Eigenlijk was dat maar goed ook. Mijn kinderen waren daardoor geen familie van een dissident meer. Als ze officieel familie van mij bleven, zouden hun carrièrekansen voorgoed vergooid zijn. Hoe het nu met hen gaat, weet ik niet.”
Yodok
Na acht verschrikkelijke maanden werd hij op 31 maart 1988 naar kamp nummer 15 gestuurd: Yodok. De naam roept associaties op met het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Dit immens grote werkkamp ligt in de provincie Zuid-Hamkyung, midden in de bergen, die ontsnappen nagenoeg onmogelijk maken. Op plaatsen waar een vluchtpoging wel kans van slagen heeft, zijn hoge hekken met prikkeldraad opgezet. Sommige delen staan onder stroom. Verder zijn er mijnenvelden en andere dodelijke vallen. Om de twee kilometer staat een wachttoren van zeven meter hoogte. Wie probeert te ontsnappen, wordt neergeschoten. Als iemand levend wordt gevangen, wordt hij of zij publiekelijk geëxecuteerd. De gevangenen worden slechter behandeld dan vee. Eten is er nauwelijks. In de zomer en in de winter krijgen ze een stel kleren. Veel gevangenen bezwijken door ziekte of honger. De levenden zien er uit als wandelende geesten.
“Toch schrok ik daar niet van toen ik aankwam in het kamp”, zegt Kim. “Na acht maanden gevangenschap zag ik er net zo uit. Bovendien had ik weer een beetje hoop. De bewaker van de gevangenis had tegen me gezegd dat ik niet zou worden geëxecuteerd. Ik werd met de trein gebracht. Het laatste stuk zat ik in een vrachtwagen. Toen we door de ingang reden, mocht ik niet opkijken. Ik denk, omdat we eerst langs het deel van het kamp reden met gevangenen die nooit vrijgelaten zullen worden. We reden zeker dertig kilometer Yodok in voor we aankwamen bij mijn barak. In het kamp worden eerst alle nieuwe gevangenen gekeurd en in drie categorieën ingedeeld: sterk, gemiddeld, zwak. Die keuring bepaalt hoeveel eten je krijgt en wat voor werk je moet gaan doen. Gelukkig zagen ze mij ondanks mijn gevangenschap van acht maanden als sterk. Ik moest op het land gaan werken en kreeg soms iets meer eten dan andere gevangenen.”
100 gram mais
Maar normaal gesproken was dat niet meer dan drie keer per dag 100 gram mais. De gevangenen moesten inventief zijn. Soms kon Kim wat groentesoep maken van eetbare planten die te vinden zijn in de bergen. “Dat was erg moeilijk te eten. Veel te zout.” Ook slaagde hij er soms in ratten, muizen, slangen of kikkers te vangen en te eten. Ook kikkerdril is erg gewild onder gevangenen in Yodok.
Normaal gesproken moest Kim rond drie of vier uur opstaan, zodra de zon opkwam. Laat op de avond keerde hij terug naar zijn barak. “Het hele systeem maakte me wanhopig. Ik zag mensen sterven van honger en ziekte, ik zag executies. Maar op een dag moesten we verzamelen in een grote hal en werd bekendgemaakt dat ter ere van de verjaardag van één van de leiders enkele gevangenen vrijgelaten zouden worden wegens goed gedrag. Op dat moment maakte ik een beslissing: ik zou een modelgevangene worden en ik zou dit overleven. Ik wist dat ik minimaal drie tot vijf jaar in Yodok zou moeten blijven om in aanmerking te kunnen komen voor vrijlating. Ik nam me voor geen fouten te maken.”
Maar makkelijk kreeg Kim het niet. De omstandigheden in het kamp gaan het menselijk voorstellingsvermogen te boven. “Door mijn periode in de gevangenis had ik veel last van mijn benen en mijn rug. Ook in Yodok komt het regelmatig voor dat gevangenen geslagen worden. Op een dag moest ik werken aan een kogelvrije verdedigingsmuur. Een medegevangene werd in elkaar geslagen, uitgekleed en geboeid, omdat hij wat tomaten had gestolen. De bewakers lieten hem de hele nacht liggen. Ik ben naar hem toe gekropen en heb hem op mijn rug genomen, want zelf kon hij niet wegkomen. Ook heb ik gezien dat een gevangene bruut in elkaar geslagen werd, omdat hij de maïs iets anders plantte dan Kim Il-Sung had bevolen. Een gevangene met de naam Choi kon zijn taken niet uitvoeren vanwege ondervoeding en ziekte. Maar ook hij kreeg klappen en werd toch naar werk gestuurd. Choi deed alsof hij gek werd. Hij stal hondenvoedsel en sloeg zelfs de vingers van zijn hand af met een bijl. Ik heb een keer een executie gezien van vijf gevangenen. Ze hadden geprobeerd te ontsnappen. De mannen werden gekneveld en gemaskerd, op hun knieën gedwongen en neergeschoten met drie kogels. Een laatste schot was gericht op hun hart of hoofd.”
Een christen
Op een dag ontmoette hij ‘bij toeval’ een christen. “Ik had nooit verwacht dat er christenen zouden zijn in Yodok. Hij was leider van een groepje van zeven christenen. Ze noemden zich: Gemeenschap van Liefde en kwamen af en toe in het geheim bij elkaar. Ik wist dat het verboden was om christen te zijn in het kamp. Toch was ik niet bang om met hem te praten. Hij was zo’n grappige man… Soms vertelde hij me verhalen uit de Bijbel en ik genoot daarvan. Maar ik wilde niet mijn zonden belijden. Toen hij me dat vroeg, sloeg ik dicht en zei ik geen woord meer.”
Wel vroeg Kim deze man: “Hoe weet je eigenlijk dat God bestaat?”
“Dat weet je niet”, antwoordde de man. “Net zoals je niet weet dat de zon bestaat. Je voelt de warmte van de zon op je huid. Zo is het met God ook.”
In Yodok stellen de bewakers regelmatig verklikkers aan. Dit zijn gevangenen die verplicht iedere week een rapport moeten opstellen over wat medegevangenen verkeerd doen. Eén van hen verraadde het groepje christenen. “Ze zijn allemaal enorm gemarteld. Mijn vriend hadden ze zo zwaar te pakken gekregen dat zijn arm afstierf en moest worden geamputeerd, waarschijnlijk zonder verdoving. Daarna werden hij en de anderen naar een ander kamp gestuurd, met een nog strenger regime. Zo’n kamp kom je niet levend uit. Ik heb daarna nog wel eens geprobeerd christenen te vinden in Yodok, maar het is niet meer gelukt.”
Ontsnappingspoging
Net als alle andere gevangenen dacht Kim vaak over een ontsnappingspoging, maar hij realiseerde zich dat hij meer kans op overleven had, als hij zich koest hield. Na drie jaar gevangenschap vertelde de bewaker hem: “Als je je dit jaar ook goed gedraagt, word je volgend jaar vrijgelaten.”
Op 1 april 1992 moest hij zich met duizenden andere gevangenen uit zijn dorp (Yodok is opgedeeld in verschillende dorpen, red.) melden in de grote hal. Twee weken later was Kim Il-Sung jarig. “Ter ere van die gelegenheid werden gevangenen vrijgelaten. Toen mijn naam echt genoemd werd, kon ik mijn geluk niet op. Die blijdschap is niet te beschrijven. Eindelijk zou ik deze hel, dit levende massagraf, mogen verlaten. Het was een wonder dat ik hier levend uit zou komen. Ook de andere gevangenen die werden vrijgelaten, waren superblij. Ik heb zelfs eens meegemaakt in het kamp dat een gevangene een hartaanval kreeg toen zijn naam werd genoemd. Hij stierf ter plekke, wat een tragedie…”
De laatste dag
Zijn laatste dag in Yodok was 10 april 1992. Toen werd hij op de trein gezet naar familieleden, die uiteindelijk niets met hem te maken wilde hebben. “Na mijn vrijlating wist ik niet goed wat ik moest doen met mijn leven. Eigenlijk wilde ik nog maar één ding: weg uit Noord-Korea. Maar als ex-gevangene werd ik in de gaten gehouden door de geheime politie. Ontsnappen was onmogelijk. Nog steeds zat ik in een soort gevangenis.”
Maar in april 1997 zag hij zijn kans schoon. “Het klinkt cru, maar de hongersnood in de jaren negentig was voor mij een godsgeschenk. Daardoor gingen mensen op zoek naar voedsel. Velen trokken voor korte of lange tijd naar het noorden. Het viel niet zo op als ik er tussenuit kneep en de controles waren sowieso minder strak.”
In zijn eentje ging Kim naar het noorden, naar de grensrivier de Jalou. Net als de vorige keer. Hij zocht ’s nachts een ondiepe plaats op en liep toen het ijskoude water in. Sommige delen waren zelfs nog bevroren. De ondergrond – ronde stenen – was spekglad. “Ik begon gewoon te rennen door het water”, zegt Kim, “Het was nog geen honderd meter. Op een gegeven moment gleed ik uit en viel. Daarbij bezeerde ik me behoorlijk. Daarna moest ik door een bergachtig gebied op zoek naar een schuilplaats. Hier en daar lag nog steeds sneeuw. Sommige stukken liep ik op handen en voeten, als een hond.”
Schuiladres
Uiteindelijk vond Kim zijn schuiladres, waar we uit veiligheidsoverwegingen niets over kunnen zeggen, behalve dan dat hij verschillende banen had en opnieuw in aanraking kwam met christenen. In december 1997 kreeg hij een Koreaanse bijbel en dezelfde maand liet hij zich dopen. Over zijn bekering zegt Kim: “Ik weet ook niet precies hoe het gebeurd is. God zocht me op en ik nam Zijn Woord voor waar aan. Langzaam begon ik de Bijbel ook beter te begrijpen. Het duurde niet lang of ik kreeg de leiding over een groepje Noord-Koreanen met wie ik bijbelstudie deed.”
Maar in China was Kim verre van veilig. Eigenlijk wilde hij naar Zuid-Korea. In het voorjaar van 1999 vertrok hij naar Beijing, de hoofdstad van China, om daar aan te kloppen bij de Zuid-Koreaanse ambassade. Zijn gastgezin raadde hem dat af. “Onmogelijk. Te gevaarlijk”, zeiden ze. Maar Kim kwam in april 2001 wel in contact met een organisatie die Noord-Koreanen het land uitsmokkelde. Kim moest klaar staan om ieder moment te vertrekken.
Mongolië
Op 8 juni kwam het verlossende telefoontje. Ze zouden hem ophalen en naar Mongolië vertrekken om via dat land uiteindelijk naar Zuid-Korea te gaan. De groep bestond uit acht personen. In twee groepjes van vier probeerden ze de grens over te steken. Zes van de acht liepen echter tegen de lamp. “Over hun lot bestaat weinig twijfel: ze zijn teruggestuurd naar Noord-Korea, gemarteld en als ze dat overleefd hebben naar een werkkamp gestuurd.”
Kim bereikte Zuid-Korea wel veilig. Nu zit hij hier in deze vredige omgeving op slechts enkele tientallen kilometers afstand van Noord-Korea. “In mijn land zal niets veranderen zolang Kim Jong-Il aan de macht is. Alleen God kan een opening creëren in Noord-Korea. Maar hoe? Via een oorlog? Via een natuurramp? Laten we bidden dat God ingrijpt zonder bloedvergieten.”
Spreken
Kim grijpt tegenwoordig vrijwel elke gelegenheid aan om over zijn land te spreken, en dan vooral over de christenen, die nergens ter wereld zo worden vervolgd als in Noord-Korea. “Mijn persoonlijke boodschap is: toon interesse in mijn land. Bid ervoor. We hebben uw steun nodig. Bid ook voor mijn persoonlijke bediening. Ik zet me in voor een organisatie die Noord-Koreanen steunt in China.” (Open Doors)
Ingedeeld onder: Uncategorized | Tags: afgod, gebedsactie, kim il-sung, kim jong-il, kim jung-il, korea, mensenrechten, noord-korea, north korea, open doors, strafkamp, verafgoding, verering, vluchteling, vluchtelingen

Verering van de overleden president Kim Il-Sung
The North Korean authorities have been expanding the construction of facilities that laud and idolize Kim Il Sung and Kim Jong Il throughout North Korea, in order to unite the people in spite of the severe economic crisis.
Up until the end of the 1990s, North Korea had been focusing on creating “revolutionary memorial halls” or ‘historic sites,’ or erecting statues in order to idolize the Kim family.
The main structure of idolatry, above all, is the Kim Il Sung statue. Among all the statues, the one in front of the Museum of Korean Revolution on the top of Mansudae hill in Pyongyang, erected in April 1972 to celebrate Kim Il Sung’s 60th birthday, is best-known. It is 23 meters (75.5 feet) high, including a 3 meter pedestal. The statue was once covered with gold, but it was removed.
Similar, less grandiose statues are located in all 70 major cities of North Korea. In total, there are 140,000 structures designed to idolize the Kim regime.
Especially after the death of Kim Il Sung, and the succession of Kim Jong Il three years later, in 1997, many mosaic murals were created throughout North Korea with the father and the son as the theme, and many of the revolutionary monuments were erected.
Mosaic murals mainly feature Kim Il Sung, the father with Kim Jong Il and Kim Jong Il’s mother, Kim Jung Sook, made with glass or tiles of natural rocks baked at 1,200℃.
According to reports from the North Korean state-run media since 2000, one mural was made in 2000, four in 2002, then the number increased to 19 in 2003, 49 in 2004, and a sharp increase to 70 in 2005. Then in 2006, 55 murals were made while 67 were made last year. 88 murals have been made this year alone.
Furthermore, the size of the mosaic murals is growing. On average, the length and height of a mural is 5–10 meters. However, bigger murals with dimensions of 30 meters by 20 meters have been under construction.
The most well-known murals are located on Tongil (Unification) Street in Raknang district and on Kwangbok Street in Mankyungdae district in Pyongyang. The one on Kwangbok Street was made to celebrate Kim Sung Il’s 95th birthday in April, 2008, and goes by the name of “My great country, my nation, live forever.” The height and length of the murals are respectively 42 meters and 25 meters.
The other mural that was completed on Tongil Street the day before that was 33.7 meters long and 22 meters high.
Chosun Sinbo reported with great fanfare, “These murals are the biggest mosaic murals in the nation.”
Revolutionary monuments or historic memorials at places where Kim Il Sung or Kim Jong Il are known to have been, are being made constantly.
North Korea put up 31 revolutionary memorial slabs last year in places such as Pyongyang Music School or Pyongyang Shoe Factory, and 37 so far this year, in places like Suncheon First Middle School and Kangkye Pig Factory. Last year, revolutionary monuments were erected in five places, including the public building of the People’s Safety Agency in North Hamkyung Province and so far four monuments have been erected in places like Pyongyang 3.26 cable factory.
Jane Portal, the author of “Art under Control in North Korea” visited North Korea twice and assessed this idolatry as the world’s most intense, saying that Stalin and Mao Zedong’s idolatry cannot be compared with Kim Il Sung’s hunger for praise.
Additionally, North Korea is focusing on boosting people’s loyalty and revolutionary consciousness through collective visits to these historic sites, and by excavating or renovating them.
Chosun (North Korea) Central Broadcasting (the state-controlled radio station) last month hinted at the strengthened idolization process, saying that “Plans to revive historic sites in North Hamkyung province and the efforts of party members and laborers working on these projects are processing well.” (DailyNK)
Ingedeeld onder: Uncategorized | Tags: china, gebedsactie, kim il-sung, kim jong-il, kim jung-il, korea, mensenrechten, noord-korea, north korea, open doors, strafkamp, vluchteling
Liberty in North Korea heeft een prachtige video gemaakt, die de verschrikkingen van het Noord-Koreaanse volk in beeld brengt.
